Settings / configureren en instellen van een JK BMS

te zien is een screenshot van de statuspagina van de jk bms app op een android toestel

In dit artikel bespreken we hoe je een BMS van JK kan instellen en configureren. We behandelen in dit artikel alle instelling in het "settings" menu.

In principe worden alle JK BMS modellen op dezelfde manier geconfigureerd, alleen kunnen op detailnivo, kleine verschillen bestaan vanwege verschillende firmware versies.

Introductie

Naast de in dit artikel behandelde instellingen in het settings-menu zijn ook instellingen te maken in het control-menu.

Let op: niet alle parameters die in dit artikel behandeld worden zijn beschikbaar voor alle JK BMS modellen, het kan niet alleen verschillen per model, zoals de tussen de B-, BD- en PB-serie, maar mogelijk ook per hardware revisie en de firmwareversie.

Lees dit (absoluut) eerst

Het is heel belangrijk dat je doorgrond dat -in de basis- het BMS géén, we herhalen, géén besturende maar juist een controlerende functie heeft. De inverter/charger of MPPT of wat voor apparaat ook de accu laad, die we vanaf nu "lader" zullen noemen, zal door het maken van de juiste instellingen moeten zorgen dat de accu gebruikt wordt binnen de veilige grenzen die de fabrikant van de accu stelt.

De primaire taak van het BMS is om in te grijpen als de lader, door wat voor reden dan ook, de accu laad/ontlaad buiten door de fabrikant gestelde grenzen. Het BMS heeft dus een controlerende functie. Zie het als een zekering. Een zekering heeft onder normale omstandigheden totaal geen (operationele) taak, maar als een bepaalde grens overschreden wordt, dan grijpt de zekering in.

Natuurlijk heeft het BMS ook nog andere taken, die niet door de lader uitgevoerd kunnen worden. Denk hierbij aan het bewaken van de temperatuur van de accu en als deze te koud of te warm wordt dan moet het laden of ontladen onderbroken worden. Ook zal het BMS het balanceren van de accucellen voor zijn rekening nemen.

Maar nogmaals, bedenk bij het configureren van het BMS dat de ingegeven waarden grenswaarden zijn die onder normale omstandigheden nooit mogen voorkomen.

Als bij normaal gebruik regelmatig het BMS een alarm afgeeft en ingrijpt, dan zijn de instellingen van het BMS niet goed, of zijn de minima en maxima die ingesteld zijn in de lader niet goed of, maar dat is uitzonderlijk, is één of meerdere cellen erg in onbalans met de anderen en is langdurig balanceren noodzakelijk, is er een hardware probleem zoals een slechte verbinding of is bijvoorbeeld een accucel die niet goed is.

Wat is goed en wat is fout?

Bij het configureren van het BMS (maar ook de lader[1]) zal je keuzes moeten maken. Zo zal je, als voorbeeld, een keuze moeten maken tot welke spanning een accucel geladen mag worden en dan in het BMS een grenst vastlegt die nét daarboven ligt.

Op de lader zal je bijvoorbeeld een keuze maken om dit op 3,5 Volt per cel in te stellen. Bij een 48 Volt systeem met 16 cellen, wordt de maximale laadspanning dan: 16 x 3,5 = 56 Volt. Op het BMS stel je dan voor de "cell overvoltage protection" (COVP) een waarde in die iets hoger ligt, bijvoorbeeld 3,6 Volt of 3,65 Volt. Die spanning wordt door de meeste LFP accucelfabrikanten als "veilige maximale spanning" gezien[2]. Maar dat betekent nog niet dat je dan de laadspanning van de lader op 16 x 3,65 = 58.4 moet zetten en de COVP op bijvoorbeeld 3,7 Volt. Je kan je zelf afvragen, waarom wil ik die maximum grens opzoeken?

Sommigen zullen wat voorzichtiger zijn en een conservatievere waarden gebruiken. Bijvoorbeeld een maximale laadspanning van 3,45 Volt gebruiken en het BMS instellen op bijvoorbeeld een COVP van 3,6 Volt.

Hierin is geen goed of fout, het zijn keuzes. Hoewel bij enkele instellingen wel degelijk foute keuzes te maken zijn. Maar dat zullen we bij die instelling vermelden.

Zo kan je niet permitteren dat de temperatuur van de accu te laag wordt. Als de temperatuur onder nul graden Celsius komt mag je absoluut niet de accu meer laden[2]. Ontladen mag dan nog wel, dat kan rustig doorgaan tot voorbij -10°C maar bij -20°C moet ook dat stoppen. Wij gebruiken echter wat conservatievere waarden.

Bij hoge temperaturen geldt hetzelfde verhaal hoewel de grens wat minder scherp is. Een warme accu is gewoon niet zo goed, maar leg je die grens bij 40, 45, 50°C of nog hoger?

App of desktop software?

Wil je de JK BMS configureren en instellen, dan kan dat met een app op je telefoon of tablet, maar ook met windows software. Functioneel zijn die twee gelijk, maar ze zien er anders uit. In dit artikel gaan we uit van de app.

Het voordeel van de pc applicatie is dat je hem "gewoon" kan gebruiken, bij de app moet ook GPS aan staan, niet iedereen is daar van gediend. Daarnaast kan je met de monitorsoftware wél een firmware upload uitvoeren, dat kan niet met de app op de telefoon.

LFP

In dit artikel gaan we uit van het gebruik van LFP accucellen. Het is verstandig om bovenin, waar je de knoppen Li-ion, LTO, Lifepo3 en modify pwd ziet staan, op de knop "Lifepo4" te drukken. Het BMS wordt dan ingesteld met standaardwaarde die redelijk goed bruikbaar zijn voor LFP accucellen.

Let op: als je later nog eens op deze knop drukt ben je alle aanpassingen in het settingsmenu kwijt en moet je weer opnieuw beginnen. Gelukkig wordt (tegenwoordig, sinds een bepaalde firmwarerelease) wel eerst om een bevestiging gevraagd voordat hij alle settings overschrijft.

Vergeet niet op OK te klikken

Wanneer je een instelling aanpast, dan moet je op de knop erachter klikken met de tekst "OK". Alleen dán wordt je aanpassing opgeslagen. Als dat is uitgevoerd hoor je een klein piepje uit het BMS komen ter bevestiging. Hierna zullen we niet iedere keer als je iets moet wijzigen schrijven dat je na die wijziging op "OK" moet drukken, dat wordt wat overdreven.

Instellingen op accucelnivo

De waarden die je kan instellen zijn altijd op accucelnivo en niet op accu-nivo. Dat is logisch omdat het BMS met een verschillend aantal cellen kan werken. Dus het is wel zo logisch om de instellingen op celnivo te doen. Zo geef je als voorbeeld dus op wat de SoC100% Voltage is, bijvoorbeeld 3,45 Volt, en als je een 12 Volt accu hebt is dat dus bij een accuspanning van 4x3,45=13,8 Volt en bij een 24 en een 48 Volt acci is dat respectievelijk 8x3,45=27,6 en 16x3,45=55,2 Volt.

Sending failure

Mocht je een instelling veranderen en na het indrukken van de OK knop de foutmelding "Sending failure" krijgen, dan heeft dat niets met de communicatie te maken, maar dat de waarde die je hebt opgegeven hebt niet geaccepteerd kan worden omdat dit in strijd is met een andere instelling. De ingevoerde waarde blijft wel "staan" maar is niet doorgevoerd, later kan je nogmaals op OK drukken als je een andere waarde hebt aangepast.

We geven een voorbeeld, stel dat je de over voltage protection Recovery een hogere waarde wil geven dan de huidige Cell Overvoltage protection, dan kan dat natuurlijk niet. De recovery waarde moet bij een overvoltage natuurlijk altijd "lager" zijn. Dus je hebt een fout gemaakt, of je moet eerst de cell overvoltage protection aanpassen en dáárna pas de release waarde.

Voorwaarden

Bij veel parameters zal je in het kopje een "voorwaarde" aantreffen. Die voorwaarde is niet iets dat wij verzonnen hebben, maar afgedwongen wordt door de firmware van de JK BMS.

Firmwareversie en feedback

Bij het schrijven van dit artikel zijn we uitgegaan van firmware versie 19.07. Mogelijk hebben we iets verkeerd geïnterpreteerd en staat er dus een fout in dit artikel, of is sinds een nieuwe firmwareversie de functionaliteit veranderd. Een berichtje met een correctie of aanvulling stellen we dan erg op prijs.

Indeling van de settings in dit artikel

De indeling van de parameters in het settings-menu van JK die te zien is in de app, is deels onlogisch. Daarom hebben we gekozen om de parameters te groepen "per categorie", voor het gemak hebben we hier een tabel met de parameters in de volgorde zoals deze in de JK app verschijnen met links naar de uitleg in dit artikel.

De parameters hebben we ingedeeld in de volgende categorieën:

Basisinstellingen

Cell Count

Aantal cellen in de accu.

Vul hier het aantal accucellen waaruit je accu bestaat (die het BMS moet bewaken). Normaal gesproken is dat 4 voor een 12V accu, 8 voor een 24V accu en 16 voor een 48V accu.

Battery Capacity(Ah)

Capaciteit van de accu in Ah

Vul hier de capaciteit van de accu in. De waarde moet je invoeren als "Ah" Ampère uur waarde. Heb je bijvoorbeeld EVE MB31 cellen, die hebben een capaciteit van 314 Ah, dan vul je hier dus 314 in. Je accu bestaat uit meerdere cellen. Die staan in serie. Daardoor zal de accuspanning de som zijn val de alle accucelspanningen, maar de capaciteit (in Ah) blijft gelijk. Dus bij een accu met 16 stuks 314 Ah cellen, is en blijft de capaciteit 314 Ah, dus vul je hier 314 in.

Als accucellen parallel zijn geschakeld, bijvoorbeeld iedere MB31 cel is dubbel uitgevoerd en staat parallel geschakeld aan de ander, en heb je zestien van deze dubbele cellen in serie staan, een 16S2P configuratie, dán heb je een dubbele capaciteit dus vul je hier 628 in (2 x 314 = 628). Overigens, we adviseren héél sterk om accucellen niet parallel te schakelen maar twee accu's te maken van bijvoorbeeld zestien cellen in serie, met ieder een eigen BMS en die accu's dan parallel te schakelen op een busbar (noot: iedere accu moet zijn eigen zekering hebben).

State of Charge (SoC) instellingen

SOC-100% Volt.(V) - [state of charge 100% reset voltage]

De SoC wordt op 100% gezet zodra één cel deze spanning bereikt.

Voorwaarde: moet lager zijn dan request charge voltage (RCV) en hoger dan cell overvoltage protection release (OVPR).

Mogelijke instelling: 3,44 Volt[3]

Let op: afhankelijk van de firmwareversie zal de voorwaarde voor een 100% SoC reset verschillen. Op het moment van schrijven met de firmwareversie 19.07 werkte het als volg: als de accuspanning de cell requested charge voltage bereikt heeft, dus daarmee ook de SoC-100% spanning heeft bereikt (zie voorwaarde), wordt de RCV timer gestart, als die afloopt én de spanning in de tussentijd niet gedaald is onder de RCV waarde (want die reset de RCV timer), dan zal de SoC op 100% gezet worden.

Bij sommige firmwareversies wordt de SoC op 100% gezet zodra één accucel de SoC-100% spanning bereikt heeft.

Met deze instelling bepaal je bij welke cellspanning je de accu als vol beschouwd en het BMS de SoC moet resetten naar 100%. Bij een accucel ligt technisch niet vast wat 0 en 100% is zoals je kan lezen in dit artikel. Je kan zelf bepalen bij welke accucelspanning jij de SoC beschouwt als 0% en als 100%. De een vindt dat als de accucel een spanning heeft bereikt van 3.45 hij als "vol" gezien kan worden, dus een SoC van 100% heeft, terwijl de ander bijvoorbeeld een spanning van 3.5 of 3.6 Volt aanhoudt.

Het is dus jouw keuze. Maar je moet natuurlijk deze waarde niet hoger instellen dan de laadspanning van de lader. Als die stopt met laden bij een celspanning van bijvoorbeeld 3.5 Volt en je hebt deze 100% waarde ingesteld op 3.6 Volt, dan zal het BMS nooit een SoC tonen van 100%. Het is dus slim om de laadspanning iets hoger te kiezen dan deze 100% SoC spanning waardoor je verzekerd bent dat de SoC altijd naar 100% gezet kan worden. Hou ook rekening met spanningsverliezen tussen lader en accu én kleine afwijkingen in de gemeten spanning bij de lader en het BMS.

Gerelateerd: SoC-0% Volt.(V).

SOC-0% Volt.(V) - [state of charge 0% reset voltage]

De SoC wordt op 0% gezet indien bij één cel de spanning is gedaald naar de ingestelde waarde

Mogelijke instelling: 2,90 Volt[3]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan cell undervolt protection en lager zijn dan cell undervolt protection release

Met deze waarde stel je in bij welke celspanning je de accu als leeg beschouwd wordt, dus een SoC heeft van 0%. Het absolute minimum is 2,5 Volt (dat specificeren de meeste LFP accucelfabrikanten). Je geeft deze waarde op als een celspanning. Als één van de cellen gedaald is tot deze waarde, dan zal de SoC waarde die het BMS toont op 0% gezet worden.

Het kan dus best zo zijn dat andere cellen een hogere waarde hebben maar dat wordt genegeerd, want als gewacht wordt tot alle cellen deze waarde hebben, dan zullen vrijwel zeker bepaalde cellen al veel verder gedaald zijn naar een waarde onder deze ingestelde waarde omdat nou eenmaal cellen in een accu nooit voor 100% in balans zijn, en/of een identieke capaciteit hebben.

Het is dus zeer goed mogelijk dat als je deze waarde op 2,9 Volt instelt en heb je 16 cellen, dat de SoC waarde al gereset wordt naar 0% terwijl de accuspanning hoger is dan 16 x 2,9 = 46,4 Volt. Als voorbeeld: 15 cellen hebben een spanning van 3 Volt, en één cel heeft een waarde van 2,9 Volt, samen 15 x 3 + 2,9 = 47,9 Volt dat is dus 1,5 Volt hoger dan de 46,4 Volt die je wellicht had verwacht.

Balanceren

Start Balance Volt.(V) - [start balance voltage]

Balanceren van de cellen is mogelijk zolang één van de cellen een spanning heeft die gelijk of groter dan de ingestelde waarde.

Mogelijke instelling: 3,45 Volt[3]

Hiermee geef je als voorwaarde wat de minimale cellspanning moet zijn voordat het BMS de cellen gaat balanceren. Standaard staat dit op 3.4 Volt. Dat is een acceptabele waarde. We zouden hem niet lager zetten, mogelijk iets hoger, bijvoorbeeld 3.45 Volt.

Stel dat de Balance Trig. Volt.(V) op 0.010 Volt staat (10 mV) en deze start balance voltage op 3.4 Volt staat, dan zal het balanceren van de cellen pas starten als 1. minimaal één van de accucellen een spanning heeft bereikt van minimaal 3.4 Volt en 2. als het spanningsverschil tussen de cellen minimaal 10 mV is en 3. het balanceren in het control menu ingeschakeld is.

Wanneer bijvoorbeeld (met de genoemde waarden) de hoogste celspanning 3.44 Volt is en de verschilspanning 11 mV is, zal nog niet het balanceren starten. Dat gebeurt ook niet als de hoogste celspanning bijvoorbeeld 3.41 Volt is maar de verschilspanning nog 9 mV.

Let op: het balanceren van de accucellen onder circa 3,35 Volt wordt sterk afgeraden. Dit heeft namelijk een averechts effect, de cellen zullen juist in onbalans komen. Het balanceren heeft tot doel dat de SoC van alle cellen die het BMS bewaakt, vrijwel gelijk zijn.

Wanneer accucellen niet gebalanceerd zijn, bestaat de mogelijkheid dat tijdens het laden één of meerdere accucellen veel eerder dan de rest de kritische grens van Cell OVP bereiken en dan het BMS het laadcircuit uitschakelt. Dat heeft dan weer tot gevolg dat die de "andere cellen" minder geladen zullen zijn, en een lagere SoC hebben. Dat heeft dan weer tot gevolg de beschikbare accucapaciteit beperkt is tot de cel met de laagste SoC. Als de accucellen gebalanceerd zijn zal de maximale te bereiken capaciteit van de accu beschikbaar zijn. Hoe meer een onbalans bestaat, hoe minder capaciteit beschikbaar zal zijn.

Gerelateerd: Balance Trig. Volt.(V) en Balance (aan/uit) in het "control" menu.

Balance Trig. Volt.(V) - [balance trigger voltage]

Balanceren van de cellen is mogelijk zolang het verschil tussen de cel met de hoogste en laagste spanning gelijk of hoger is dan de ingestelde waarde.

Met deze instelling geef je aan hoeveel het verschil minimaal moet zijn tussen de cel met de laagste en de hoogste spanning, in het status scherm te zien als Cell Volt. Diff (cell voltage difference). Standaard staat deze op 10 mV (0,010 Volt). Dat is een acceptabele waarde. Het betekent dat als het verschil tussen de hoogste en laagste celspanning bijvoorbeeld 9 mV is (0,009 V) dat het balanceren van de cellen niet wordt geactiveerd. Zodra dit 10 mV of meer is, dan is balanceren wel mogelijk, als voldaan wordt aan twee andere eisen, zie start balance voltage. Een lagere waarde dan 10 mV kan zorgen dat onnodige ontlaad/laadcycli plaatsvinden op een accucel omdat tijdens het laden soms cel x een heel kleine beetje voorloopt op cel y maar even later kan dit net andersom zijn. Vanuit dit kader is het te overwegen om niet altijd het balanceren ingeschakeld te hebben, maar bijvoorbeeld maar eens per maand uit te voeren. Mogelijk is die periode te lang of te kort afhankelijk hoe goed de cellen gematcht en in balans zijn.

Gerelateerd: Start Balance Volt.(V) en Balance (aan/uit) in het "control" menu.

Max Balance Cur.(A) - [maximum balance current]

De maximale balanceerstroom tijdens het balanceren van de cellen.

Mogelijke instelling: 2 Ampère[2]

Hier kan je de maximale balanceerstroom instellen. Dat is de stroom waarmee één accucel met een hogere celspanning dan de andere, kortdurend wordt ontladen en die lading toegevoegd wordt aan de accucel met, op dat moment, de laagste celspanning. Die balanceer ontlaad- en laadstroom is met deze instelling te bepalen. Natuurlijk is deze waarde gelimiteerd tot de maximale stroom die jouw BMS ondersteunt. JK levert op het moment van schrijven modellen met 0.6, 0.8, 1 en 2 Ampère balanceerstroom. Heb je een BMS met een 1A balancer, dan kan je hier een waarde invullen tussen de 0.1 en 1.

Deze waarde zouden we alleen maar aanpassen als de Ah waarde van de gebruikte cellen relatief klein is. Hanteer een maximale stroom van 0,1C Als voorbeeld, voor een 6 Ah accu is de stroom dan maximaal 0,6 Ampère.

Overspanningsbeveiliging

Cell OVP(V) - [cell overvolt protection voltage]

Laadcircuit wordt onderbroken zodra één cel de ingestelde spanning heeft bereikt

Voorwaarde: moet hoger zijn dan request charge voltage (RCV).

Mogelijke instelling: 3,65 Volt[3]

Dit is één van de beveiligingsmechanismes van het BMS en zorgt dat geen enkele cel verder geladen kan worden dan de ingestelde waarde. Door deze harde grens te stellen wordt voorkomen dat een cel overladen wordt of zelfs een ramp voorkomen wordt als te lang een cel overladen wordt. Bij de meeste LFP accucellen ligt deze maximale veilige waarde op 3,65 Volt[3].

Het is niet zo dat bij 3,7 Volt gelijk de ergste dingen gebeuren, maar zo'n spanning moet je gewoon niet willen bij een LFP cel. Boven die 3,65 Volt kom je in het gebied waarbij de cell overladen kan worden. Dat is niet alleen slecht voor de levensduur, zeker als je hem op zo'n hoge spanning voor een aantal dagen of meer laat staan, maar de cel zal steeds warmer worden en zou uiteindelijk kunnen leiden tot "gassen" als de laadstroom niet onderbroken wordt.

De waarde die je hier invoert moet hoger zijn dan de ingestelde laadspanning van de lader. Dat wordt de absorption voltage genoemd, of als deze door het BMS wordt bepaald / gevraagd, de requested charge voltage (bij Victron heet dat Charge Voltage Limit of CVL). Stel dat de absorptionspanning ingesteld staat op 56 Volt[3] (dat is 3,5 Volt per cel), dan vul je voor deze cell overvoltage protection een iets hogere waarde in, bijvoorbeeld 3,6 of 3,65 Volt. Hij wordt dus zodanig gekozen dat deze cellspanning onder normale omstandigheden nooit mag voorkomen.

Maak je de marge te krap, bijvoorbeeld door deze overvoltage protection spanning 1 mV hoger te kiezen dan de laadspanning, dan zal je regelmatig een alarm krijgen (en het laden onderbroken worden) omdat de laadspanning altijd wat fluctueert en dus best even (een beetje) over de ingestelde waarde kan komen.

Mocht één accucel deze drempelwaarde bereiken, dan zal meteen het laadcircuit (de laad-mosfets) uitgeschakeld worden. Het is dus het BMS dat ingrijpt omdat de lader onverwachts, door bijvoorbeeld een hardwarefout, de laadspanning blijft verhogen ondanks dat dit begrenst zou zijn tot de absorption voltage. In de JK app krijg je de melding "Battery is fully charged". Hoewel het BMS het laadcircuit onderbreekt, blijft het ontlaadcircuit ingeschakeld. Dat is alleen maar mooi omdat de accu door het ontladen uit deze onveilige spanning kan komen.

Gerelateerd: Cell OVPR(V).

Cell OVPR(V) - [cell overvoltage protection release]

Het laden van de accu wordt hervat na een Cell OVP alarm, omdat de spanning van alle cellen is gedaald tot, of lager is, dan de ingestelde waarde.

Voorwaarde: moet lager zijn dan SOC-100% Volt. en hoger zijn dan requested float value (RFV).

Mogelijke instelling: 3,43 Volt[3]

Wanneer eerder vanwege een cell overvoltage protection alarm het laadcircuit is uitgeschakeld, en de spanning van alle individuele accucellen gedaald is tot, of lager dan, de ingestelde waarde zal het de cell overvoltage protection alarm opgeheven worden en het laadcircuit weer ingeschakeld worden.

NB de laad- en ontlaadcircuits van het BMS zijn geheel gescheiden, ze kunnen dus onafhankelijk van elkaar in- en uitgeschakeld worden. Het uit- of inschakelen van het ene circuit zal geen invloed hebben op de status van het andere circuit.

Deze instelling wordt ook wel cell overvolt protection recovery genoemd.

Gerelateerd: cell overvolt protection voltage.

Onderspanningsbeveiliging

Cell UVP(V) - [cell undervolt protection voltage]

Het ontladen wordt onderbroken als één cel daalt tot de ingestelde spanning

Mogelijke instelling: 2,6 Volt[3]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan Power Off Voltage en lager zijn dan 0% SOC Voltage

Samen met de Cell Overvolt protection (OVP) zijn deze drempelwaarden de beschermengeltjes van je accu. En die moet je koesteren. Je wil niet dat de spanning te hoog wordt, want anders wordt de accu "overladen" met mogelijk vreselijke gevolgen tot gevolg zoals het gassen.

Maar hij moet ook niet diep ontladen worden, want een diep ontladen LFP accu kan zelfs zorgen dat de plus en minpool omgekeerd worden. Heb je een diepontlaadde accu(cel), zwaai hem dan maar gedag en wens hem het beste en vergeet hem niet te bedanken voor de geleverde diensten. Zo'n accu(cel) moet je absoluut niet meer in gebruik nemen.

Deze cell undervolt protection voltage zou in principe, dus onder normale omstandigheden, nooit mogen voorkomen. Want dat zou betekenen dat de lader of dc-loads de accu verder ontladen dan een op de lader of accu-beschermingsapparaat ingesteld is.

Zo is het aannemelijk dat een 48 Volt inverter bij een spanning van bijvoorbeeld 50,4 Volt al een waarschuwing geeft dat de accuspanning erg laag begint te worden en als deze daalt tot bijvoorbeeld 44,8 Volt zich direct uitschakelt ("inverter low voltage shutdown" waarde). Die 44,8 Volt (het is maar een suggestie) betekent een gemiddelde celspanning van 44,8 / 16 = 2,8 Volt.

Je zou verwachten dat als de inverter zich uitschakelt bij een gemiddelde celspanning van 2,8 Volt, dan nooit een cel een spanning zal hebben van 2,6 Volt of lager.

Tóch is dit mogelijk, en daarvoor heb je nou precies een BMS. Want de accuspanning is dan wel 44,8 Volt, maar dat betekent nog niet dat iedere cel een spanning heeft van 2,6 Volt. Als voorbeeld, als 15 cellen een spanning hebben van 2,82 Volt en één cel een spanning heeft van 2,6 Volt, dan is de accuspanning: 15 x 2,82 + 2,6 = 44,9 Volt.

In dat geval, zal de inverter zich niet uitschakelen, de accuspanning is immers hoger dan de "inverter low voltage shutdown", maar het BMS grijpt wél in. Die ziet dat één cel een waarde heeft van 2,6 Volt en dat vindt jij (want jij bepaalt deze grens) een reden om het ontlaadcircuit uit te schakelen. De inverter krijgt dan geen spanning meer en de accu wordt niet verder ontladen (pfffiew). In zo'n geval heeft het BMS zijn geld dubbel en dwars terugverdiend.

Dit mogelijke scenario doet zich voor als de accucellen flink uit balans zijn, en/of dat een cel een kleinere capaciteit heeft (gekregen) dan de anderen en daardoor sneller ontladen raakt.

Als de cellen redelijk gebalanceerd zijn en een UVP voorkomt, dan heeft een cel dus een lagere capaciteit dan de anderen, daarom daalt de spanning van die cel sneller dan de anderen. Dat zal je dan maar moeten accepteren. Om herhaling te voorkomen doe je er goed aan om de "inverter low voltage shutdown" waarde te verhogen waardoor de inverter zich sneller uitschakelt.

NB de laad- en ontlaadcircuits van het BMS zijn geheel gescheiden, ze kunnen dus onafhankelijk van elkaar in- en uitgeschakeld worden. Het uit- of inschakelen van het ene circuit zal geen invloed hebben op de status van het andere circuit.

Gerelateerd: Cell Undervolt Protection Release.

Cell UVPR(V) - [cell undervolt protection release]

Het ontladen wordt hervat na een Cell UVP alarm nadat de spanning van alle cellen gestegen is tot minimaal de ingestelde waarde.

Voorwaarde: moet hoger zijn dan SOC-0% Volt. en lager zijn dan cell overvoltage protection release (COVPR)).

Mogelijke instelling: 3,00 Volt[3]

Wanneer vanwege een eerder cell undervoltage protection alarm het ontlaadcircuit is uitgeschakeld, en de spanning van alle individuele accucellen gestegen is tot, of hoger is dan, de ingestelde waarde zal het de cell undervoltage protection alarm opgeheven worden en het ontlaadcircuit weer ingeschakeld worden.

NB de laad- en ontlaadcircuits van het BMS zijn geheel gescheiden, ze kunnen dus onafhankelijk van elkaar in- en uitgeschakeld worden. Het uit- of inschakelen van het ene circuit zal geen invloed hebben op de status van het andere circuit.

Deze instelling wordt ook wel cell undervolt protection recovery genoemd.

Power Off Vol.(V) - [power off voltage]

BMS wordt totaal uitgeschakeld als één cel onder de ingestelde spanning daalt

Mogelijke instelling: 2,5 Volt[3]

Voorwaarde: moet lager zijn dan de Cell Under Volt protection.

Zodra de spanning van één cel gedaald is tot de ingestelde waarde zal het BMS zichzelf totaal uitschakelen. Dit is iets anders dan de cell undervolt protection. Stel dat het BMS het ontlaadcircuit heeft uitgeschakeld vanwege een cell undervolt protection alarm, dan zal het ontladen van de accu stoppen.

Maar de accu heeft een bepaalde zelfontlading, bij LFP is dit circa 3% per maand, en daarnaast vraagt het BMS ook (een klein beetje) stroom. Die twee samen kunnen op wat langere termijn zorgen dat de accucelspanning deze ingestelde waarde bereikt. Verder dalen is zeer onwenselijk want dan ligt een mogelijke diepontlading op de loer. Om dat zoveel mogelijk te voorkomen schakelt het BMS zich uit. De stroomafname die al niet hoog was, daalt nu naar microampères.

Het is een algemeen bekend gegeven dat het overgrote deel van de LFP accu's (en niet alleen die) diep ontladen raken / onbruikbaar worden door "verwaarlozing", dus in een hoekje staan en vergeten zijn. Baby's moeten te drinken krijgen, plantjes hebben behoefte aan water en accu's moet je af en toe wat elektriciteit voorschotelen.

Vreemd genoeg staat in de documentatie dat deze parameter pas een trigger is als de cell met de hoogste spanning onder deze waarde daalt, maar dat lijkt incorrect (maar dat hebben we niet getest).

Laadstroombeveiliging

Continued Charge Curr.(A) - [(maximum) continuous charge current]

Het laden wordt onderbroken als de laadstroom de ingestelde waarde heeft bereikt; kan de maximale laadstroom bepalen die de lader aanhoudt

Deze parameter heeft twee functies.

1. Als eerste is dit de drempelwaarde die gebruikt wordt voor het bepalen van een mogelijke te hoge laadstroom en dan het laadcircuit onderbreekt. Die te hoge laadstroom moet dan wel gedurende een bepaalde minimale tijd voortduren. Zie Charge Overcurrent Protection delay.

2. Als tweede wordt deze parameter gebruikt als, en alleen als, het BMS communiceert met de lader, bijvoorbeeld via CAN, en de lader opdrachten van het BMS accepteert, dan zal de hier ingestelde waarde gebruikt worden door de lader als de maximale laadstroom. Het BMS hanteert een veiligheidsmarge van 5%. Dus als deze waarde op 100 staat, dan zal via de CAN bus een maximale laadstroom waarde verzonden worden naar de lader van 95 Ampère. Die is bij Victron te zien als de "Charge Current Limit" (CCL).

Als het laadproces onderbroken wordt zal de charge over current protection release timer gestart worden en nadat die timer verlopen is, zal het alarm opgeheven worden en het laadcircuit weer ingeschakeld worden. Blijft de stroom té hoog dan zal de cyclus weer gestart worden.

Indien gebruikt wordt gemaakt van een PB-serie BMS, die beschikt over een current limiter, dan zal niet de laadstroom onderbroken worden, maar gereduceerd worden naar de "current limit" waarde, meer daarover bij disable PCL module.

Gerelateerd: Charge Overcurrent Protection delay, charge overcurrent protection release time, Continued Discharge Current.

Charge OCP delay(s) - [charge overcurrent protection delay]

Vertraging bij een overschrijding van de maximale laadstroom voordat het laadcircuit onderbroken wordt

Samen met de continued charge current bepaalt deze ingestelde waarde of het laadproces onderbroken wordt vanwege een té hoge laadstroom. In dat geval is sprake van een over charge current protection alarm.

Voor die alarmconditie moet voldaan worden aan twee aspecten: de laadstroom moet een waarde hebben die minimaal gelijk is aan de continued charge current, én deze stroom moet gedurende de tijd die ingesteld in deze parameter voortduren.

Gerelateerd: continued charge current, charge over current protection release timer, disable PCL module, continued discharge current.

Charge OCPR Time(s) - [charge overcurrent protection release time]

Alarmhersteltijd na een overschrijding van de maximale laadstroom

Met deze parameter stel je de duur in van het charge overcurrent protection alarm. Na het verlopen van deze timer zal het laadcircuit weer ingeschakeld worden.

Het is mogelijk dat direct weer een hoge laadstroom alarm ontstaat, dan start die cyclus opnieuw met een charge OCP alarm en dat blijft zich herhalen totdat deze foutsituatie wordt opgeheven.

Deze instelling wordt ook wel charge overcurrent protection recovery genoemd.

Gerelateerd: Continued charge current

Ontlaadstroombeveiliging

Continued Discharge Curr.(A) - [(maximum) continuous discharge current]

Bepaalt de maximaal toelaatbare ontlaadstroom

Deze parameter heeft twee functies.

1. De ingestelde waarde wordt gebruikt als drempelwaarde voor de maximaal toelaatbare ontlaadstroom. Het Over discharge current protection alarm wordt ingeschakeld als een te hoge ontlaadstroom voor een bepaalde tijd voortduurt (zie Discharge overcurrent protection delay ).

2. Deze waarde, minus een veiligheidsmarge van 5%, zal het BMS doorgeven aan een eventuele lader. Bij Victron zal dit zichtbaar zijn als de Discharge Current Limit (DCL).

NB de laad- en ontlaadcircuits van het BMS zijn geheel gescheiden, ze kunnen dus onafhankelijk van elkaar in- en uitgeschakeld worden. Het uit- of inschakelen van het ene circuit zal geen invloed hebben op de status van het andere circuit.

Discharge OCP Delay(s) - [discharge overcurrent protection delay]

Vertraging bij een overschrijding van de ontlaadstroom voordat het ontlaadcircuit onderbroken wordt

Samen met de continued discharge current bepaalt deze ingestelde waarde of het ontlaadproces onderbroken wordt vanwege een té hoge ontlaadstroom. In dat geval is sprake van een discharge overcurrent protection alarm.

Voor die alarmconditie moet voldaan worden aan twee aspecten: de ontlaadstroom moet een waarde hebben die minimaal gelijk is aan de continued discharge current, én deze stroom moet gedurende een aantal seconden zoals deze in deze parameter is ingesteld voortduren.

Als het ontlaadproces onderbroken wordt zal de discharge overcurrent protection release timer gestart worden en nadat die timer verlopen is, zal het alarm opgeheven worden en het ontlaadcircuit weer ingeschakeld worden. Blijft de ontlaadstroom té hoog dan zal de alarmcyclus weer gestart worden.

Gerelateerd: Continued discharge current, Discharge overcurrent protection release time.

Discharge OCPR Time(s) - [discharge overcurrent protection release time]

Alarmhersteltijd na een overschrijding van de maximale ontlaadstroom

Met deze parameter stel je de duur in van het discharge overcurrent protection alarm. Na het verlopen van deze timer zal het ontlaadcircuit weer ingeschakeld worden.

Het is mogelijk dat dan direct weer een te hoge ontlaadstroom zal vloeien dat dan opnieuw voor een alarm zorgt. In dat geval start die cyclus opnieuw met een discharge OCP alarm en dat blijft zich herhalen totdat deze foutsituatie wordt opgeheven.

Deze instelling wordt ook wel discharge overcurrent protection recovery genoemd.

Gerelateerd: Continued discharge current.

Laadstroom

Wanneer het BMS gebruikt wordt om "een verzoek te doen voor een bepaalde maximale laadstroom aan de lader", dan is die stroom instelbaar bij de parameter continued charge current.

Bij gebruik van meerdere parallel geschakelde accu's, ieder met hun eigen BMS, moet je hier de stroom instellen voor deze ene accu. De master BMS zal de "som" van alle BMS laadstromen naar de lader sturen.

Als voorbeeld, stel twee parallel geschakelde accu's, op iedere BMS wordt een laadstroom van 100 Ampère ingesteld, dan zal de master BMS, die verantwoordelijk is voor de communicatie met de lader, een maximale laadstroom versturen van 200 -5%, dus 190 Ampère. Stel dat één BMS uitvalt vanwege bijvoorbeeld een cell overvoltage protection alarm, en daardoor het laadcircuit van die accu uitgeschakeld wordt, dan zal de master nog maar een laadstroom versturen van, in dit voorbeeld, 95 Ampère.

Bij een Victron systeem is deze laadstroom te zien als Charge Current Limit (CCL).

Ontlaadstroom

Wanneer het BMS gebruikt wordt om "een de lader te verzoeken de ontlaadstroom te beperken tot een bepaalde maximale waarde", dan is die ontlaadstroom instelbaar bij de parameter continued discharge current.

Bij gebruik van meerdere parallel geschakelde accu's, ieder met hun eigen BMS, moet je hier de maximale ontlaadstroom instellen voor deze ene accu. De master BMS zal de "som" van alle BMS ontlaadstromen naar de lader sturen.

Als voorbeeld, stel twee parallel geschakelde accu's, op iedere BMS wordt een ontlaadstroom van 150 Ampère ingesteld, dan zal de master BMS, die verantwoordelijk is voor de communicatie met de lader, een maximale laadstroom versturen van 300 -5%, dus 285 Ampère. Stel dat één BMS uitvalt vanwege bijvoorbeeld een cell discharge undervoltage protection alarm, en daardoor het ontlaadcircuit van die accu uitgeschakeld wordt, dan zal de master nog maar een laadstroom versturen van, in dit voorbeeld, 142,5 Ampère.

Bij een Victron systeem is deze ontlaadstroom te zien als Discharge Current Limit (DCL).

Laadspanning

Vol. Cell RCV(V) - [cell requested charge voltage]

Requested Charge Voltage; de laadspanning die gevraagd wordt aan de lader tijdens de bulk- en absorption fase

Voorwaarde: moet lager zijn dan cell OVP en moet hoger zijn dan SOC-100% Voltage.

Mogelijk instelling: 3,46 Volt[3]

De requested charge voltage, is een instelling die alleen van toepassing is als je het BMS met de lader laat communiceren én dat je instelt op de lader dat de laadspanning niet door de lader maar door het BMS wordt bepaald. Bij een Victron systeem zal deze waarde overgenomen worden als de Charge Voltage Limit (CVL) tijdens de bulk- en absorption fase. Tijdens de bulk fase heeft deze waarde feitelijk geen functie omdat dan de Charge Current Limit de laadstroom zal bepalen en dit voortduurt tot de accuspanning de CVL heeft bereikt. Op dat moment schakelt het laadproces over van de CC naar CV fase, gaat dus de absorption fase in, en dan speelt deze parameter wél een rol omdat dan de laadspanning onveranderd op deze waarde blijft.

De duur van de absorption fase wordt bepaald (als de BMS dit bepaalt) door de requested-charge-voltage-timer.

De RCV instelling heeft nog een tweede rol en dat is dat hij onderdeel is van de 100% SoC reset-functie.

Gerelateerd: SOC-100% Volt, requested-charge-voltage-timer.

Vol. Cell RFV(V) - [cell requested float voltage]

Requested Float Voltage; gevraagde laadspanning tijdens de float laad fase

Mogelijke instelling: 3,35 Volt[3]

Als, en alleen als, het BMS communiceert met een lader én de lader "opdrachten" van het BMS accepteert, dan zal de lader tijdens de float-fase een (laad)spanning afgeven die gelijk is aan de hier ingestelde waarde maal het aantal accucellen in de accu. Wanneer de lader deze opdrachten van het BMS niet ontvangt of niet accepteert zal deze zelf het laadregime bepalen.

Stel dat de float voltage ingesteld is op 3,35 Volt, en je hebt een 16S accu, dan is de "Requested Float Voltage" dus 16 x 3,35 = 53,6 Volt. Bij een Victron systeem zal deze waarde overgenomen worden als de Charge Voltage Limit (CVL).

Dus tijdens de bulk en absorption fase is de requested charge voltage in het BMS ingesteld op bijvoorbeeld 3,46 Volt (dus 16 x 3,46 = 55,36 Volt), dan zal tijdens de bulk en absorption fase de laadspanning die gevraagd wordt aan de Victron lader 55,36 Volt zijn. Die waarde wordt overgenomen en is in de remote console van Victron te zien als een Charge Voltage Limit van in dat geval 55,36 Volt.

Zodra het BMS besluit dat de absorption fase voorbij is, dan gaat deze over naar de float fase en op dat moment zal een waarde naar Victron gestuurd worden van (in dit voorbeeld) 53,6 Volt.

Dus de Victron luistert alleen maar naar de laadspanning die gevraagd wordt, en het BMS kan deze waarde aanpassen afhankelijk van de fase waarin het laadproces verkeerd.

Wanneer (als de BMS dit bepaalt) over gegaan wordt van de absorption- naar de float fase, wordt bepaalt de de requested-charge-voltage-timer.

De duur dat de BMS in de float fase zit wordt bepaald door de requested float voltage time (RFV time).

Gerelateerd: requested float voltage time (RFV time), requested charge voltage (RCV).

RCV Time(H) - [requested charge voltage time(r)]

Timer die bepaalt hoelang de laadspanning op de RCV waarde gehouden nadat de accu de RCV spanning heeft bereikt

Deze parameter heeft twee functies:

1. Samen met de 100%-SOC voltage en requested charge voltage vormen zij de conditie om de SoC van het BMS op 100% te zetten.

2. Indien het BMS met een lader communiceert, zal deze indien de absorption fase actief is, en gedurende de tijd van deze timer, een laadspanning verzoeken zoals vastgelegd bij de requested charge voltage. Zodra die tijd voorbij is zal de float fase actief worden en zal de requested float voltage en RFV time invloed hebben op de laadspanning van de lader.

RFV Time(H) - [requested float voltage time(r)]

Timer die bepaalt hoelang de laadspanning op de RFV waarde gehouden wordt tijdens de float fase om daarna terug te keren in de bulk fase

Met deze parameter wordt de minimale duur van de float fase bepaald. Pas als deze timer afloopt kan een nieuwe laadcyclus starten die begint met de bulk fase.

Of die bulk fase start is afhankelijk of de lader op dat moment (denk aan zon-instraling) in staat is een laadstroom te leveren.

Laad-temperatuurbeveiliging

Charge OTP(°C) - [charge overtemperature protection]

Schakelt het laadcircuit uit zodra de accutemperatuur te hoog wordt.

Mogelijke instelling: 40°C[3]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan charge overtemperature protection release.

Het laden van een accu als die accu een hoge temperatuur heeft wordt sterk afgeraden. Het zal de veroudering van de accu versnellen. Zodra de ingestelde temperatuur bereikt wordt zal het laadcircuit onderbroken worden.

Vooral het laden tot 100% bij een hoge temperatuur wordt sterk afgeraden i.v.m. de sterke degradatie van de accu.

Deze beveiliging is ook om mogelijke thermal runaway's van een accu te voorkomen. Als een LFP accu boven een bepaalde temperatuur stijgt zal een thermal runaway plaatsvinden. Door de laadstroom te onderbreken zal één van de mogelijke scenario's van zo'n thermal runaway voorkomen worden.

Gerelateerd: charge overtemperature protection release.

Charge OTPR(°C) - [charge overtemperature protection release]

Vrijgave van de laad-overtemperatuurbeveiliging zodra de accutemperatuur gedaald is tot de ingestelde waarde.

Mogelijke instelling: 35°C[3]

Voorwaarde: moet lager zijn dan charge overtemperature protection.

Deze instelling wordt ook wel charge overtemperature protection recovery genoemd.

Charge UTP(°C) - [charge undertemperature protection ]

Schakelt het laadcircuit uit zodra de accutemperatuur te laag wordt.

Mogelijke instelling: 4°C[3]

Voorwaarde: moet lager zijn dan charge undertemperature protection release.

Het laden van een LFP accu is funest als de temperatuur onder het vriespunt zakt (tenzij het een speciale lage-temperatuur LFP accu betreft). Het laden van een LFP onder het vriespunt kan onherstelbare beschadigingen toebrengen, waaronder vorming van dendrieten die op hun beurt (mogelijk later) kunnen zorgen voor interne kortsluitingen, die op hun beurt weer een thermal runaway kunnen veroorzaken met gassen tot gevolg.

Je moet dus kost wat kost te lage temperaturen tijdens het laden zien te voorkomen. Vandaar deze parameter die het het laadcircuit uitschakelt zodra de temperatuur is gedaald tot de ingestelde waarde.

Gebruik je de accu in een omgeving die onder de 7°C kan dalen (die waarde is een suggestie) overweeg dan zeker om gebruik te maken van een verwarmingselement die het BMS aan kan sturen.

Bij gebruik van een verwarmingselement stel je deze parameter in op een lagere temperatuur dan de inschakeltemperatuur van de verwarming.

Kies deze waarde ruim boven het nulpunt, niet alleen vanwege een veiligheidsmarge, temperatuurmeting gaat altijd gepaard met flinke afwijkingen, maar ook omdat de interne weerstand van een LFP toeneemt bij lagere temperaturen waardoor de efficiëntie (het rendement) van de accu afneemt.

Gerelateerd: charge undertemperature protection release, temperature start heating, discharge overtemperature protection, discharge undertemperature protection.

Charge UTPR(°C) - [charge undertemperature protection release]

Vrijgave van de laad-ondertemperatuurbeveiliging zodra de accutemperatuur gestegen is tot de ingestelde waarde.

Mogelijke instelling: 7°C[7]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan charge undertemperature protection.

Deze instelling wordt ook wel charge undertemperature protection recovery genoemd.

Ontlaad-temperatuurbeveilging

Discharge OTP(°C) - [discharge overtemperature protection]

Schakelt het ontlaadcircuit uit zodra de temperatuur

Mogelijke instelling: 45°C[3]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan discharge overtemperature protection release.

Het gebruik van een LFP accu bij een hoge temperatuur wordt sterk afgeraden vanwege versnelde veroudering.

Discharge OTPR(°C) - [discharge overtemperature protection release]

Mogelijke instelling: 40°C[3]

Voorwaarde: moet lager zijn dan discharge overtemperature protection.

Deze instelling wordt ook wel discharge overtemperature protection recovery genoemd.

Discharge UTP(°C) - [discharge undertemperature protection]

Mogelijke instelling: -10°C[3]

Voorwaarde: moet lager zijn dan discharge undertemperature protection release.

>Discharge UTPR(°C) - [discharge undertemperature protection release]

Mogelijke instelling: -6°C[3]

Voorwaarde: moet hoger zijn dan discharge undertemperature protection release.

Deze instelling wordt ook wel discharge undertemperature protection recovery genoemd.

Verwarming

De verwarmings-parameters zijn alleen van toepassing op BMS modellen met een "heating" aansluiting.

TMP Start Heating(°C) - [temperature start heating]

Verwarmingselement wordt ingeschakeld zodra temperatuur gedaald is tot de ingestelde waarde

Mogelijke instelling: +7°C[3]

Voorwaarde: deze waarde moet lager zijn dan TMP Stop Heating.

Het BMS kan een optioneel verwarmingselement inschakelen als de temperatuur van de accu daalt tot, of komt onder, deze temperatuur. Het verwarmen van de accu met een verwarmingselement is noodzakelijk omdat, bij reguliere LFP accucellen, onder de 0°C deze niet meer geladen mogen worden, en onder de -20°C niet meer ontladen mogen worden. Doe je dat toch dan kan dat ernstige consequenties hebben voor de levensduur van de accu en zelf kan leiden tot een interne kortsluiting in een accucel.

Die temperatuur wordt gemeten door de meegeleverde temperatuursensoren. Het BMS gebruikt voor het inschakelen van het verwarmingselement de sensor die de laagste temperatuur meet.

Stel dat heating in het control menu aan staat, de "TMP Start Heating" ingesteld staat op +7°C en je vier temperatuursensoren hebt, die een temperatuur meten van +10, +7, +8 en +11, dan zal vanwege de temperatuur van +7°C op die ene sensor, de heating ingeschakeld worden.

Het verwarmingselement wordt pas ingeschakeld zodra één temperatuursensor een waarde meet die gelijk of lager is dan de ingestelde waarde én de heating in het controlmenu ingeschakeld is.

Gerelateerd: heating in het control menu, TMP Stop Heating.

TMP Stop Heating(°C) - [temperature stop heating]

Verwarmingselement wordt uitgeschakeld zodra temperatuur gestegen is tot de ingestelde waarde

Voorwaarde: deze waarde moet hoger zijn dan TMP Start Heating.

Lees eerst informatie bij TMP Start Heating. Wanneer het verwarmingselement ingeschakeld is, zal deze uitgeschakeld worden wanneer de temperatuur van de accu gelijk of hoger is dan deze ingestelde temperatuur.

Die temperatuur wordt gemeten door de meegeleverde temperatuursensoren. Het BMS neemt gebruikt de temperatuur van de sensor die de laagste temperatuur meet.

Gerelateerd: heating in het control menu, TMP Stop Heating.

Communicatie

Device Addr. - [device address]

Bepaalt het adres van het BMS is

Het gebruik van een BMS adres is van toepassing als meerdere accu's met ieder een individuele BMS communiceren met de lader. De master BMS moet het adres 0 krijgen en zal namens alle andere BMS'en met de lader communiceren. De andere BMS'en moeten een adres dat begint bij 1 en eindigt bij 16.

De slave BMS'en communiceren dus met de master en alleen de master speelt de geagregeerde gegevens door naar de lader.

Heeft het BMS een communicatiebord met dipswitches, zoals bij de PB-serie, dan stel je met de dipswiches het adres in.

UART1 Protocol No. - [UART1 protocol nummer]

Protocol dat gebruikt wordt voor UART1 die gebruikt wordt voor de communicatie met de lader via RS485.

Het BMS kan gegevens naar de lader sturen via RS485 (maar ook via CAN) en deze parameter bepaald welk protocol daarvoor gebruikt wordt.

Mocht een PB-serie BMS gebruiken: de meest linker RJ45 connector is verbonden met UART1.

UART2 Protocol No. - [UART2 protocol nummer]

Protocol dat JK gebruikt voor de onderlinge communicatie tussen BMS'en.

In principe is dit protocol niet te wijzigen en wordt gebruikt voor onderlinge communicatie van BMS'en.

UART3 Protocol No. - [UART3 protocol nummer]

Protocol dat gebruikt wordt voor UART3 die gebruikt wordt voor een display.

CAN Protocol No. - [CAN protocol nummer]

Bepaalt welk protocol gebruikt wordt tussen op de CAN interface.

De CAN interface, of CAN-bus, wordt gebruikt om, indien gewenst, het BMS gegevens te laten versturen naar de lader (maar kan ook via RS485, zie UART1). Mocht je een PB-serie BMS gebruiken: de tweede linker RJ45 connector betreft de CAN interface. Gebruik je Victron dan is in dit artikel meer informatie te vinden.

Relais

De relais parameters zijn alleen van toepassing op BMS modellen met een relais. Op het moment van schrijven is dat alleen de PB-serie.

De relais hebben "droge contacten" of "potentiaal vrije contacten" en geactiveerd worden op basis van diverse condities, zoals cell overvolt protection alarm, cell undervolt protection alarm, e.d.

Dry 1 Trigger - [dry 1 trigger]

Triggereigenschap voor het activeren voor relais 1.

Dry 1 Trigger Val. - [dry 1 trigger value]

Triggervoorwaarde voor het activeren van relais 1.

Dry 1 Release Val. - [dry 1 trigger release value]

Triggervoorwaarde voor het deactiveren van relais 1.

Dry 2 Trigger - [dry trigger]

Triggereigenschap voor het activeren voor relais 2.

Dry 2 Trigger Val. - [dry 2 trigger value]

Triggervoorwaarde voor het activeren van relais 2.

Dry 2 Release Val. - [dry 2 trigger release value]

Triggervoorwaarde voor het deactiveren van relais 2.

Kortsluiting

SCP Delay(us) - [short circuit protection delay]

Vertragingstijd in microseconden voordat de kortsluitbeveiliging in werking treed

Het BMS heeft een kortsluitbeveiliging, alleen is de drempelwaarde van de kortsluitstroom niet instelbaar en niet bekend. De hier ingestelde waarde bepaald hoe lang de kortsluitstroom mag voortduren voordat het alarm in werking treed.

Komt te vaak dit alarm voor, zet dan deze waarde iets hoger.

SCPR Time(s) - [short circuit protection release time(r)]

Tijdsduur voor de vrijgave van een schort circuit protection alarm.

Nadat het short circuit protection alarm is ingegaan wordt deze timer gestart, zodra deze timer afloopt wordt het schort circuit protection alarm opgeheven.

Slaapstand

Vol. Smart Sleep(V) - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

Time Smart Sleep(h) - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

Noodtoestand

Emerg. Time(Min) - []

Bepaalt hoelang de "noodtoestand functie" van toepassing is.

Meer informatie over de noodtoestandfunctie is te vinden bij de instellingen het control menu bij emergency.

Logging

Data Stored Period(S)

Bepaalt hoe lang de log-gegevens bewaard blijven

De log-gegevens van het BMS worden vastgelegd in NV-memory. Om mogelijke overflow te voorkomen kan je de bewaarduur van de loggegevens beperken, maar dan moet in het control menu de Timed Stored Data ingeschakeld zijn.

Kalibratie

Calibrating Volt.(V) - [calibrate voltage]

Mogelijkheid om de door de BMS gemeten spanning te kalibreren (aan te passen).

Hier kan je de gemeten accuspanning aanpassen / kalibreren. Het BMS meet een bepaalde spanning van de accu, bijvoorbeeld 26.01 Volt. Die meting zou mogelijk af kunnen wijken van de werkelijke accuspanning. Je hebt hier de mogelijkheid om tegen het BMS te vertellen dat die spanning niet bijvoorbeeld 26.01 Volt is, maar bijvoorbeeld 25.97 Volt.

Je moet dan wel beschikken over een voltmeter die enige nauwkeurigheid heeft. Een milliohmmeter zoals we die in dit artikel hebben behandeld is voor dit doel redelijk geschikt. Als je die niet hebt maar wel twee digitale multimeters en beiden geven vrijwel dezelfde spanning aan, bijvoorbeeld 25,85 en de ander 25,87 dan lijkt de werkelijke spanning ergens in dat bereik te vallen. Wij zouden in dat geval 25.86 invullen.

We hebben gelezen dat bij sommige firmwareversies je een foutmelding krijgt als je een aangepaste waarde invult. De firmware accepteert dan (onterecht) alleen maar een waarde die heel dicht bij de waarde ligt die het BMS heeft gemeten. Probeer dan de waarde wat "naar de waarde van het BMS te brengen" en dan maar een compromis te vinden.

Opmerking: tijdens het laden of ontladen, zal door de weerstand van de kabels en verbindingen tussen accu en lader en de stroom die dan vloeit, een spanningsverschil ontstaan. Hoe groter de stroom, hoe groter het spanningsverschil. Dán zal dus een verschil ontstaan tussen de lader spanning en de accuspanning. Maar dat verschil moet je met deze kalibratie-instelling niet willen wegwerken. Hij is namelijk afhankelijk van de stroom. Dat verschil kan alleen maar kleiner gemaakt worden door dikkere kabels en betere verbindingen. Je kan ook de BMS de gemeten spanning laten doorgeven (via CAN bus) aan de lader waardoor dit spanningsverschil, operationeel geen rol meer speelt.

Calibrating Curr.(A) - [calibrate current]

Mogelijkheid om de door het BMS gemeten stroom te kalibreren.

Hier kan je de door het BMS gemeten stroom, die mogelijk afwijkt van de werkelijkheid, aan te passen. Helaas kan je maar op één stroomsterktewaarde kalibreren. Beter was geweest als je dit bij twee of drie waarden kon doen, zoals bij 5, 50 en 100 Ampère.

De stroommeting van de JK BMS is niet enorm nauwkeurig (en mede daarom ook de SoC meting niet). Sowieso worden stromen onder de 0,8 Ampère (of iets in die trant) genegeerd, en wordt dan 0 Ampère weergegeven.

Realiseer dat de stroommeting van de JK BMS niet alleen onnauwkeurig is, maar deze ook over het hele bereik (bijvoorbeeld van -100 tot +100 Ampère) de afwijking niet constant is. Dat is overigens heel normaal en komt bij alle meetinstrumenten voor dat de meetfout over het hele bereik niet constant is. Alleen bij de JK BMS is die afwijking aan de grote kant. Kijk er niet van op als de laadstroom werkelijk 10 Ampère is, dat de JK BMS een waarde toont van bijvoorbeeld 12,1 Ampère. Net als de SoC van de JK BMS, moet je ook de laad- of ontlaadstroom maar zien als grove indicatie.

Heb je een redelijk nauwkeurige stroommeter dan zou je kunnen overwegen om deze meting te kalibreren. De vraag is echter, bij welke stroomwaarde? Wij zouden er voor kiezen om dit te doen bij een waarde die in jouw installatie veel voorkomt. Als je vaak een stroom ziet lopen van bijvoorbeeld 8 Ampère, dan zou je bij die waarde kunnen kalibreren. Dat valt nog niet mee, want je moet de stroom wel even constant houden. Dat kan je doen door bijvoorbeeld een bepaalde laadstroom in te stellen in de lader. Bijvoorbeeld 8 A. Je meet dan met een nauwkeurige stroommeter de stroom, als die bijvoorbeeld 7.9 Ampère aangeeft, dan zou je in dit veld nu 7.9 kunnen invoeren waarmee je de stroom meting (op dit ene punt in de schaal / bereik) hebt gekalibreerd. Bedenk dat bij grotere stromen zoals in dit voorbeeld bijv. 80 Ampère, de door het BMS getoonde stroomsterkte flink kan afwijken. Het is niet anders.

Wat is een nauwkeurige stroommeter? Tja, lastige vraag. Vele zullen een stroomtang gebruiken, maar die zijn doorgaans (zeker als deze relatief goedkoop zijn) niet heel nauwkeurig, maar wellicht en zeer waarschijnlijk zelfs, nauwkeuriger dan de stroommeter van de JK BMS. Wellicht heb je een shunt, dan kan je die waarde gebruiken.

Overweeg om de gemeten stroom van de JK BMS links te laten liggen en gebruik te maken van een SmartShunt van Victron, die kan wel behoorlijk nauwkeurig de stroom en daarnaast ook de energie en SoC meten.

Overig

MOS OTP(°C) - [mos(fet)] overtemperature protection

bepaalt de maximaal toelaatbare temperatuur van de mosfets in het BMS.

In het BMS zitten twee series van parallel geschakelde mosfets. Eén serie wordt gebruikt voor het in- en uitschakelen van het laadcircuit en de ander voor het in- en uitschakelen van het ontlaadcircuit.

Die mosfets functioneren als een elektronische schakelaar. In BMS'en die geen mosfets gebruiken wordt een relais toegepast om de (ont)laadstroom uit te schakelen.

Als de mosfets ingeschakeld zijn hebben zij een bepaalde weerstand, hoewel enorm klein, maar het is toch een weerstand, net als een overgangsweerstand van een schakelaar.

Als een stroom door de mosfets vloeit zal het gedissipeerde vermogen (warmte) gelijk zijn aan de stroom in het kwadraat vermenigvuldigd met de weerstand van de mosfets (P=I2xR)

Bij langdurige hoge stromen zal daardoor de temperatuur van de mosfets stijgen. Die mosfets mogen maar een bepaalde temperatuur bereiken. Met deze parameter is het mogelijk om bij een bepaalde temperatuur van de mosfets deze uit te schakelen waardoor de mosfets beschermd worden en niet defect raken door een te hoge temperatuur. Wanneer ze uitgeschakeld zijn zal er geen stroom meer vloeien en zal de temperatuur dalen.

MOS OTPR(°C) - [mos(fet) overtemperature protection release]

vrijgave van de mosfet overtemperature protection alarm.

Zodra de temperatuur van de mosfets gedaald is tot de ingestelde waarde, zal een daarvoor geactiveerd mosfet overtemperature protection alarm opgeheven worden.

User Private Data - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

User Data 2 - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

LCD Buzzer Trigger - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

LCD Buzzer Trigger Val. - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

LCD Buzzer Release Val. - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

Con. Wire Res. Settings - []

De betekenis van deze parameter is door ons nog niet onderzocht/bekend.

Settings in de volgorde zoals deze in de app van JK verschijnen

Basic settings

Advanced Settings

  1. Voor leesgemak gebruiken we in dit artikel de korte term lader, daar bedoelen we het apparaat of apparaten mee die de accu laden zoals de inverter/charger of MPPT.
  2. De genoemde waarde is een veel voorkomende waarde zoals die door veel LFP accucelfabrikanten wordt gesteld in hun specificaties. Deze kan afwijken voor jouw accucellen. Contoleer daarom deze waarde in de specificaties van jouw accucellen.
  3. De vermelde waarde is een suggestie. Bepaalde waarden, zoals de maximale en minimale celspanning van 3,65 V en 2,5 V zijn absolute grenzen waarbinnen een LFP accu gebruikt moet worden vanwege specificaties van de accucelfabrikant. Hoe je de andere grenzen stelt is een keuze, hoe conservatief je om wil gaan met de accu of dat je "de laatste druppel er uit wil halen". De suggesties zijn alleen maar om je een gevoel te geven in welke orde van grootte je moet denken. Het gaat er om dat je niet klakkeloos deze instellingen overneemt. We hopen met dit artikel juist te bereiken dat je de betekenis van al deze instellingen beter doorgrond en op basis van die kennis en andere kennis over jouw gebruikte accu, de juiste keuzes maakt.

publicatie: 20251016

aanpassing/controle: 20251208

Foutje of aanvulling? Stuur ons een reactie